'Autoverkopen in duikvlucht' kopt het Financieel Dagblad op de dag dat ik aan deze column begin. Uit het bericht blijkt dat de verkoop van nieuwe personenauto's over de maand augustus met ruim 40 procent is gekelderd. Over geheel 2009 bedraagt de krimp ruim 25 procent en dat betekent dat de autobranche de bodem van de crisis nog niet heeft bereikt. Het bericht valt op omdat ik net de aankoop heb afgerond van een nieuwe bedrijfsauto (en ik vaststel dat die aankoop de malaise dus niet heeft gekeerd).
Tot dit jaar waren mijn koopmotieven wat betreft auto’s tamelijk basaal: betrouwbaarheid en voldoende ruimte waren de belangrijkste. Het eerste koopmotief – betrouwbaarheid – dateert nog uit de studententijd toen een startende motor bepaald geen vanzelfsprekendheid was.
Dit jaar was er, naast betrouwbaarheid en ruimte, een nieuw koopmotief. Nooit eerder had ik me verdiept in brandstofverbruik of CO2-emissie. Uiteraard moest het verbruik wel een beetje normaal zijn maar voor het overige was – slechts drie jaar geleden – de milieuvriendelijkheid geen aandachtspunt. Niet bij mij, maar ook niet bij het merendeel van de autokopers zo blijkt uit de cijfers van de autobranche.
Pas sinds een jaar is het energieverbruik en de vervuiling van de auto een factor van belang. Dat is best opmerkelijk omdat er al sinds 2001 een Energielabel bij iedere nieuwe auto zit. Auto’s met een Energielabel A zijn zuinig en met goed fatsoen kan je eigenlijk niet meer in auto’s met een G-label rijden. Maar pas sinds kort heeft het Energielabel daadwerkelijk eff ect op het gedrag van de autokoper. Het mag zo zijn dat de autoverkopen in 2009 fors zijn gedaald maar dat geldt niet voor de zuinige auto’s. De verkoop daarvan is zelfs fors gestegen.
Nu zou het zo kunnen zijn dat we met z’n allen het afgelopen jaar opeens een stuk milieubewuster zijn geworden. Veel waarschijnlijker is dat overheidsbeleid voor een heel groot deel verantwoordelijk is voor deze verschuiving van ons (en mijn) aankoopgedrag. Over ‘groene’ auto’s wordt sinds kort een stuk minder belasting geheven en dat betekent dat ze voor zowel de gebruiker als voor het bedrijf een heel stuk goedkoper zijn. En dat oer-Hollandse motief was ook voor mij de reden om een handgeschakelde auto met een Blabel te verkiezen boven het gemak van de versie met een automaat maar ook met het fi scaal hoger belaste D-label. Wat heeft dit te maken met het werkgebied waarin de lezers van dit vakblad actief zijn?, zult u wellicht denken. Vanuit een maatschappelijk belang (een duurzame samenleving met een gezond milieu) hebben we in Nederland een beloning ingesteld voor zuinige auto’s en worden er ‘boetes’ uitgedeeld aan de gebruikers die toch in een minder groene auto willen blijven rijden. Het gevolg daarvan is dat er steeds meer groene auto’s komen en dat draagt bij aan een duurzame samenleving.
Als we er in Nederland van overtuigd raken dat een hogere pedagogische kwaliteit van opvang leidt tot een betere samenleving het minder onderwijs-achterstanden, een betere ontplooiing van kinderen en wellicht zelfs een bijdrage levert aan onze kenniseconomie dan moeten we wellicht ook eens nadenken over de wijze waarop we overheidsbeleid moeten inzetten om die kwaliteitsontwikkeling te stimuleren.
Nu zijn het nog tijdelijke en vrijblijvende subsidieregelingen waarbij de sturende rol en inbreng van individuele ouders maar zeer beperkt is. Als het maatschappelijk belang van hoge pedagogische kwaliteit zo groot is, biedt het voorbeeld uit de autobranche wellicht aanknopingspunten hoe we goede kwaliteit en meer betrokkenheid van ouders bij het onderwerp beter kunnen waarborgen. Een toeslagbonus voor ouders die kiezen voor een opvanglocatie met een A-kwaliteitslabel ondanks het feit dat de opvang met een D-label en een toeslagmalus dichterbij is, zou dat ook zo’n sterk eff ect hebben op het gebruik en het aanbod in de kinderopvangbranche?
Moet de rol van de overheid beperkt blijven tot waakhond voor beunhazen of moet ze juist een meer actief sturende rol hebben bij het stimuleren van betere pedagogische kwaliteit? Wie is structureel verantwoordelijk voor de financiering van die verbetering en moeten niet juist de ouders zelf (in plaats van de overheid) gemobiliseerd worden om kwaliteitsverbeteringen te stimuleren? De snel naderende verzadiging van de kinderopvangmarkt, de vergrijzing waardoor een steeds grotere groep belastingbetalers die geen gebruikmaken van opvang zich als kiezer moeten uitspreken over de inzet van overheidsmiddelen voor verbetering van pedagogische kwaliteit, de schaarste aan overheidsbudget in de komende jaren als gevolg van de economische crisis, de toenemende individualisering van de samenleving, het zijn allemaal factoren die bij de beantwoording van die vragen een rol spelen.
Als je alle maatschappelijke trends op een rij zet dan is het voorbeeld van de autobranche niet eens zo’n onwaarschijnlijk perspectief. Reden genoeg om een deel van de € 40 mln. aan overheidsmiddelen die beschikbaar is gesteld voor verbetering van de pedagogische kwaliteit te besteden aan een duurzaam langetermijnperspectief.
Reageren?
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien.
.www.bbmp.nl